Weissensee 2007

Klik op de foto om deze te vergroten Lijst met deelnemers
 

Weissensee weekend 2007 door Doreen Stek

Opeens was het zo ver, 11 januari. Knie beschermers, drie schaatsbroeken, bivakmutsen en dozen mueslirepen waren ingepakt voor de barre tocht op de Weissensee. Ik had vaak op het punt gestaan om te annuleren, wat op een overmoedige zomerdag met mijn vriendinnen uit Leeuwarden was afgesproken, zo ver mogelijk in Oostenrijk schaatsen. Na de euforische 2006 verhalen van mijn collega, Hessel, wilde ik weer eens op natuurijs schaatsen…. Maar als al na 10 minuten, tijdens Ron Water’s schaatslessen mijn benen begonnen te trillen, enkels te zwikken, en mijn rug pijn deed, hoe moest dat dan na een hele dag schaatsen? Het zou vast een afgang worden. Het ging alleen om persoonlijke records en het was wel erg gezellig volgens Ineke Mol en Hessel Bosma.

Ik zat in de bus en kon nu niet meer terug. Allerlei medeschaatsers kwamen de nieuwkomers begroeten en ik voelde me meteen al opgenomen in de groep. De organisatie (Willem, Anton en Charles) en de buschauffeurs (Ron en Rob) zorgden ervoor dat alles op rolletjes liep. Op tijd uitgezwaaid, films, introducties en eerlijke loting voor de tijdritploegen van de volgende dag. Op de minuut nauwkeurig kwamen wij aan bij ons comfortabele hotel Möser (ruime kamers met balkon, vriendelijke personeel, sauna en zwembad) voor een vullend ontbijt, alvorens het ijs op te gaan.

Het weer werkte ook mee. Blauwe lucht, hard ijs een geen wind! De ijsmeester had een mooi 4 kilometer lange baan schoongeveegd en onderhouden . Het gleed prachtig tijdens de enkele rondjes inrijden op de gehuurde Almgrens schaatsen. Wat een ervaring om met berg toppen om je heen te schaatsen.

Met de organisatoren reden wij een geklokt rondje, de langzame ploegleiders. De opdracht was om het gemiddelde van onze tijden te evenaren met ons eigen ploeg snelle schaatsers. Het was een leuke en ontspannen manier om de andere schaatsers te leren kennen. Tijdens een glühwein party werden de prijzen uitgedeeld.

Een 4-gangen diner, een goede nachtrust en dan de gespannen sfeer bij het ontbijt. Hoe zou het ijs zijn? Zou het lekker weer blijven? Zou het iedereen lukken om zijn gestelde doel te halen? Sommige fanatiekelingen stonden al voor het ontbijt om 7.00 op het ijs om de dag langer te maken.

Het was een tweede dag met geen wind, goed ijs en een blauwe lucht! De eerste kilometers vlogen voorbij, getrokken door het treintje van Carla en Wike. Voor ik het wist, waren wij 36 kilometer verder. De regelmatige cadans, de kick van iets als groep te presteren, de opkomende zon op de bergen en het meer waren zo inspirerend! Toen ons treintje samen ging met die van de zusjes Strijbos, was het tempo voor mij te hoog en schaatste ik in mijn eigen snelheid verder. Telkens werd ik aangespoord door langs flitsende ASV- ploegen. Het kameraadschap op het ijs was hartverwarmend. Rik de Lange, geblesseerd tijdens zijn eerste kilometers, stond de hele dag op het ijs om ons kaartjes te knippen en ons een hart onder de riem te steken. Andere snelle schaatsers vonden het belangrijker om hun ploeg verder te helpen dan om hun eigen record te verbreken. De buschauffeurs waren continu bezig warme thee voor de schaatsers in grote blauwe thermosflessen te halen van het hotel.

s’Middags kwamen allerlei plaatselijke gezinnen op het ijs. Vaders met kinderen samen aan het hockeyen een rondje, moeders achter kinderwagens op het ijs, hondjes met rode pantoffels aan, een husky die een schaatsster voorttrok, kunst rijders aan het pirouetten en brandweer lieden aan het priksleeën.

Na nog 11 rondjes had ik al lang mijn streefdoel van 70 kilometer gehaald. Toen de hockeyschaatsende vaders achter de kinderwagens mij begonnen in te halen en ik telkens bij de thee tafel struikelde besloot ik dat mijn 80 kilometer mooi was geweest. Nooit eerder had ik zo ver geschaatst.

De rest van de middag kon ik genieten van de stoere ASVers die als eenlingen of als groepje thee kwamen tanken, hun sterretjes ( 12 kilometer) of bloemetjes ( 4 kilometer) knipje kwamen halen, vast beraden om nog net iets verder door te schaatsten. Een mooi gezicht om weer zo’n groep van 10 aan de overkant van het meer te zien naderen en aan te komen glijden, opgetogen van de samenwerking. Het was de eerste keer voor velen om de 200 km op de Weissensee te halen en meerderen waren niet te stoppen toen zij om 1 voor 5 nog een laatste rondje wilden schaatsen.

Als toetje van het weekend kon ik me niet tegenhouden toen ik skiërs van de piste zag afdalen om ook nog de lange latten te huren en mee te gaan met de ski fanaten. Heerlijk om ook nog te kunnen skiën. We hoorden de lol van de curlers op het meer en kwamen vele schaatsers tegen op het zonnige terras boven op de berg waar Kaiserschmaarn werden verorberd.

Compleet voldaan stortte ik me na diner en sauna in de bus voor de lange terugtocht. 13 uur later waren wij weer bij het zwembad in Almere, een fantastisch weekend rijker.

Petje af voor de organisatie die alles zo vlekkeloos heeft kunnen laten verlopen.

Met dank,
Doreen Stek


Weissensee weekend 2007 door Gerard Dercksen

Bespiegelingen op het ijs:

`Zeg Charles, ik zie dat jij een schaatsclinic organiseert voor de studenten in de T.T.A.-week. Heb je nog hulp nodig? Zelf heb ik namelijk het idee dat ik ook wel een beetje kan schaatsen`.

Zomaar een zin uit een pauzegesprek die verstrekkende gevolgen zou hebben.

Charles kon inderdaad nog wel wat hulp gebruiken en zo gebeurde het dat ik mijzelf terugvond op de Vechtsebanen in Utrecht in een rustige schaatsslag achter de rug van Charles. Eigenlijk net iets te rustig, zodat ik al snel de koppositie overnam en enige rondjes Charles voortsleurde over het ijs. Na afloop van dit schaatsfestijn vertelde hij mij dat hij elk jaar een trip organiseerde naar de Weissensee in Oostenrijk en of ik zin had om een keer mee te gaan. Hij onderbouwde dit met de volgende opmerking:

`De kracht die jij in je poten hebt, moet voldoende zijn om 200 km. te kunnen overbruggen`

Zonder dat hij het wist had hij een zeer gevoelige snaar geraakt. Een tocht over de Weissensee, dat was toch het meest ultieme na de echte Elfstedentocht en Kuopio? Aangezien de Elfsteden voorlopig niet meer gereden wordt en Kuopio erg veel weg heeft van een te koud Utopio, is Weissensee het meest verleidelijk en realistisch.

Ruim een jaar later maak ik inderdaad mijn opwachting in het selecte gezelschap van de schaatsvereniging Almere. De kennismaking met de andere leden van de club vindt plaats in een donkere bus die zich schommelend voortbeweegt over de Duitse autobahn. Geen geweldige omstandigheid om mijn medeschaatsers wat beter te leren kennen. Sterker nog, de persoon direct naast mij bevindt zich in eenzelfde situatie als ondergetekende.

Achter mij een gezelschap dat wat vaker mee is geweest, getuige de onmiddellijke inbeslagname van de achterbank, het plaatsbepalen van het doorbrengen van de diepnachtelijke uren en de verhalen die betrekking hebben op vergelijkingen met andere jaren.

Aan de andere zijde een opvallend tweetal. De ene bij het raam vertoeft, ogenschijnlijk van het begin af aan, in dromenland. De voeten hoog tegen de rugleuning van zijn voorganger en het hoofd schuin tegen het raam. In de reflectie van het raam kan ik zien dat de ogen gesloten zijn. De ‘gene`, aan de binnenzijde, bekijkt de wereld met ogen die staan op verbazing. Ogen die de vraag uitstralen: `Waar ben ik in Godsnaam in beland?`.

In een vrije associatie komt bij mij het beeld bovendrijven dat deze persoon, bij opening van zijn tas in het hotel, i.p.v. schaatsen, zwemvliezen uit zijn koffer weet te toveren, daar bedachtzaam bij kijkt, de blik naar buiten richt en in een langzaam tempo de vliezen aan de voeten trekt om vervolgens in een onhandige schaatspas tot de ontdekking te komen dat er waarschijnlijk iets mis is gegaan.

Een flauwe glimlach kan ik in deze fase van de kennismaking niet onderdrukken.

Ook de overige, zichtbare, figuren in mijn omgeving worden gemonsterd en voorzien van enige hilarische hersenspinsels. De eerste logenstraffing van één dezer vrije associaties, volgt later die avond wanneer `de ene` en `de gene` zich bedienen van een slaappil die hen de rest van de nacht volkomen uitschakelt. Een juiste voorbereiding? Of was het een domme actie?

Zelf kon ik geenszins de slaap vatten en regelmatig vroeg ik mij af wat een grotere bezoeking zou zijn: de, alternatieve tocht der tochten, of deze busrit.

Ook nu weer kon ik een glimlach niet onderdrukken aangezien ikzelf toch elke week tenminste een tour in een bus van 8 uur onderga, waaraan ik al 16 jaar een zeer ontspannen gevoel overhoudt. Sterker nog, het heeft wel eens wat weg van een therapeutische waarde. En nu?..... PFFFFF, wat een `stoelgang`.

Een prikkelend licht begroette mijn ogen en een stem reveilleerde mij met de mededeling dat we waren aangekomen in het land der schaatsers. Het prikkelende licht bleek het schrale zonlicht te zijn welke probeerde achter de bergen op te rijzen om een vlakte te beschijnen waar een aantal gebogen figuren zich reeds voortbewogen op een manier die men kon herleiden naar een zgn. schaatshouding. Was dit werkelijkheid of vertoefde ik nog in dromenland?

Aan mijn ogen ontvouwde zich een schouwspel welke ik in jaren niet meer gezien had. Sierlijk voortschrijdende patineurs op een iets te kleine schaatsbaan. Weldra besefte ik mij dat ik binnen enkele uren onderdeel zou uitmaken van dit schilderij uit lang vervlogen tijden.

Enkele handelingen moesten nog verricht worden, voordat de gladde ijzers ondergebonden konden worden. Een ontbijt nuttigen bijvoorbeeld en een gang maken naar de hotelkamer voor de inkwartiering. Daar aangekomen was een van mijn kamergenoten mij al voor geweest en had het enige separate bed per omgaande geconvisceerd. In de tussenruimte van het appartement bleef ik staan en keek ik bedachtzaam naar een tweepersoonsbed wat voor mij op de grond stond. `Hoe verklaar ik dit aan mijn vrouw`, was de eerste gedachte die in mij opkwam.

Achter mij voelde ik dat een manspersoon de kamer betrad en zich oriënteerde op de gegeven situatie. Onzelfzuchtig en enigszins naïef, zette hij zijn koffer neer aan het uiteinde van het bed om zich vervolgens neer te laten vleien op het matras. Nog altijd stond ik daar bedremmeld toe te kijken om uiteindelijk tot de conclusie te komen dat ik het `corpus delicti` aankeek welke mij de komende twee nachten zou vergezellen. De ogen van het corpus staarde mij aan en een onmiddellijke herkenning van `de gene` was gemaakt. Hoewel dit schijnbaar bij het afzien hoorde, lag de verzachtende omstandigheid in het feit dat deze figuur ´s nachts zeer goed kon slapen getuige de ervaring van de busrit.

In de middag toerde ik rustig voort over de prachtige ijsvlakte. Het genieten was begonnen en de mentale voorbereiding op de volgende dag was in volle gang. Na een 60-tal kilometers vond ik het genoeg. De drift om meer te rijden diende ik te onderdrukken en te bewaren voor de volgende dag. Gedwongen door de realistische gedachte dat ik voldoende had geschaatst, ontdeed ik mij van mijn schaatsen. Deze handeling werd bijgestaan door diverse personen waaronder een van de organisatoren. Deze beste man was in het bezit van een zgn. GPS-meetapparaat. In zijn verklaring omtrent het bezit daarvan, vertelde hij dat de uitgezette ronde geen 4 kilometer bedroeg maar 3,9. Wat feitelijk betekende dat de gestreefde afstand van 200 kilometer niet in 50 rondjes behaald zou worden maar in 51,25.

Oei, die gedachte liet mij niet meer los en ik vond van mijzelf dat ik daar een oplossing voor moest vinden. Maar hoe?

Die avond, na een geweldige dag op de ijzers, werd ik in slaap gesust door een verhaal van `de gene`, uit een boek met als titel `Caesar`. Mijn metgezel ondervond een waar genoegen in het lezen over gruwelijke kruisigingen en andere pijnigingen die de mortelingen ondergingen voordat ze het vergankelijke zouden verruilen voor het eeuwige.

In mijn eerste slaapfase ontmoette ik allerlei handen en voeten die rood gekleurd waren welke een gevolg waren van een onafzienbare hoeveelheid martelingen. Zou dit een voorbode zijn van datgene wat mij morgen te wachten stond? Echter Caesar was ook bekend geworden door zijn oneliner: `Vini, Vidi, Vici`. (of was deze van de schrijver van Asterix en Obelix?)

Op het mentale vlak is dit nog altijd de beste uitspraak, dus waar maakte ik mij zorgen om?

Vroeg in de ochtend waren zeer vele van ons onderweg naar de aanvang van de grote tocht. Gespannen en gedreven gezichten in de hal van het hotel. Allen in afwachting van de opening van de ontbijtruimte. Een vergelijking met `de kooi` van de Elfsteden, was op zijn plaats. Nadat de deur eindelijk geopend was, stormde een ieder naar binnen. Met de snelheid van een ongeduldige schaatser die, nog voor de start al het gevoel had te laat te zijn, greep een ieder om zich heen om de broodnodige ingrediënten naar binnen te werken zodat ze een voldoende bodem hadden voor de eerste kilometers op het bevroren water.

7.26 uur de start van een spannende tocht. Genomen de informatie van de GPS-man van gisteren moest ik mijn rit anders indelen dan dat ik eigenlijk, tot op dat moment, gedaan had. Als eerste moest ik mijzelf dwingen om niet in de binnenkant van het circuit te gaan rijden. Dit werd mij makkelijk gemaakt door de ijsmeester, die met zijn schuifmachine al vroeg op de wielen was. Hij begon in het midden van de baan om vervolgens deze naar de buitenkant toe uit te werken. Wanneer ik deze bewerking zou volgen, dan zou dat een voldoende compensatie zijn voor de missende 0.25 ronde. Een makkelijke opdracht. De vraag bleef echter wanneer ik de resterende hele ronde zou kunnen compenseren. Aan het einde van de dag of juist helemaal aan het begin? Ik koos voor het laatste. Eerst dus een beginronde maken, zonder deze mee te tellen, sterker nog, deze ronde volledig deleten om hem aan het einde van de dag weer via een back-up terug te laten keren op de harde schijf. Zo bedacht, zo gedaan.

Heerlijk voortglijdend in het midden van de baan en volledig bewust zijnde van het niet meetellen van de eerste ronde, besloot ik door te rijden tot en met ronde 10.(of was het ronde 11?) Hier werd ik bij geholpen door een groepje schaatsers, dat mij in de negende ronde inhaalde en waar ik gelukkig bij aan kon sluiten. Mezelf invoegende in het treintje en genietend van de voortgang, sloeg het ongeluk toe. Een diepe scheur slokte mijn linkerschaats op. Een corrigerende beweging van rechts ging gepaard met een vallende beweging in voorwaartse richting waarbij mijn linkerschaats weliswaar vrij kwam uit de scheur, echter zich ook in contact bracht met de schaatser achter mij. Een pijnlijke ervaring voor een van de schenen van Jan.

10.00 uur was het en ik zag mijzelf als veroorzaker van een vroegtijdige afgang van een potentiële 200km- ganger. Gelukkig was de blessure niet van dien aard dat hij moest stoppen. De schrik zat er wel flink in bij mij.

Na nog een volle ronde besloten de andere rijders een pauze in te lassen. Daar dacht ik geheel anders over, want ik had mijn tocht inmiddels ingedeeld in stukken van 10 ronden, oftewel 39 kilometer. ‘Kop in de wind en krassen maar’, was dus het devies. Eén van de leden van het groepje wist niet tot een voldoende conclusie te komen wat te doen en in zijn vertwijfeling deed hij wat een duursporter altijd doet……doorgaan. In mijn kielzog voelde ik dus een andere schaatser. Alleen de vraag was: wie was zij of hij? Daar zou ik wel achter komen als deze persoon de koppositie over zou nemen. Deze gedachte was logisch echter niet realistisch. De onbekende bleef kilometer na kilometer, ronde na ronde in mijn vaarwater zitten en was; of niet bekend of ongenegen of niet in staat of niet bedachtzaam genoeg; op de koppositie.

Na 20 ronden, bij het doorboren van de routekaart, kon ik eindelijk mijn schaatsvriend(in) in de ogen zien. Deze zaten verborgen achter een enorme skibril. De herkenning was er vrijwel onmiddellijk. Het was: `de gene`, metgezel in bed en verteller van kruisigingen.

Welk een toeval.

Goed dacht ik, en vervolgde mijn weg. De vervolger gevolgd voor nog een 15 tal rondes. Uiteindelijk vond ik aansluiting bij de snellere jongens. Deze hadden een ander schema, waardoor ik de laatste 10 rondes kon hoppen van de ene snelle groep naar de andere. Dat ging fantastisch met als voornaamste slachtoffer de man met skibril. Deze verklaarde later die avond dat hij zeer tevreden was over zijn afgelegde afstand en dat hij deze nooit gehaald had wanneer hij niet in mijn `achterste` was gekropen.

De laatste ronde kwam in zicht. Inmiddels was de ijsvloer ontdaan van zijn drukte en hoorde je alleen nog in de verte wat knerpende ijsgeluiden .Ook de honden met de schoentjes aan, de binnenwaarts gekeerde langlaufers, de ijshockeymaskers, de geweldige Riesenschauzer en de zwabberende maxi-cosi waren inmiddels verdwenen. Bij het daadwerkelijk ingaan van deze finale ronde, kreeg ik onverwacht escorte van de twee matadoren van die dag.

`Hoe ver moet je nog, Gerard?`.

`Dit wordt mijn laatste ronde!`

`Fantastisch, we rijden met je mee.`

En zo kwam het dat ik deze ronde met` twee vingers in de neus` volbracht. Mede dankzij de ijsmeester die precies voor ons uit een laatste baan schaafde. Dat gaf het gevoel alsof je vloog, mezelf wel degelijk realiserend dat dit ook een groot gevaar met zich meebracht. Gevaar in de vorm van overmoed.

In het gezelschap van William en Anton reed ik uiteindelijk onder het doek `Ziel` door. Het doek hing er misschien niet echt, in mijn fantasie zag ik het wel degelijk wapperen.

Vermoeid en met pijnlijke voeten schreidde ik neder op het bankje. Het was 16.38 uur. Er waren nog 22 minuten te schaatsen. Wat zal ik doen? De 200 km. waren binnen. (Ook de 1.25 ronde die volgens `de man met het GPS-apparaat`, extra geschaatst moesten worden) Moet ik daar niet tevreden mee zijn? Dit was toch mijn doel?

`Denk nog eens aan de driebander die meer speelt voor wat hij overhoudt dan voor zijn directe punt`. En met die gedachte besloot ik mijn schaatsen uit te doen. Volgend jaar ga ik voor hetgeen ik overhield.

Anton, GPS-man, Baas, William, `Gene`: alias skibril en alle anderen deelnemers bedankt en graag tot volgend jaar.

Gerard Dercksen


Deelnemers Weissensee 2007